JURISPRUDENTIE OP WHIPLASHGEBIED OVER HET DERDE KWARTAAL VAN 2014

groei

JURISPRUDENTIE OP WHIPLASHGEBIED OVER HET DERDE KWARTAAL VAN 2014

Geplaatst op 04-10-2014  -  Categorie: Blog: advocatenblog

Hierbij een overzicht van de recente jurisprudentie over het 3e kwartaal van 2014 op whiplashgebied. Er is over diverse uiteenlopende onderwerpen een beslissing gegeven. Noemenswaardig is het laatst vermelde arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarin bepaald is dat de omvang van de schade een reden kan zijn om van een slachtoffer te verlangen dat er medische informatie van voor het ongeval overgelegd wordt. Ik vraag mij af welke wettelijke basis er aanwezig kan zijn om op basis van de omvang van de door een ander veroorzaakte schade andere regels toe te passen. Hierdoor komt een slachtoffer met toevallig een goedbetaalde baan voor het ongeval in een ongunstigere situatie terecht dan een slachtoffer met geen of slechts een gering betalende baan. Een merkwaardige uitwerking van wat naar alle waarschijnlijk onder de redelijkheid en billijkheid geschaard dient te worden?

In een uitspraak van 22 januari 2014 heeft de Rechtbank Midden Nederland in een kort geding een vordering tot aanvullend voorschot in een whiplashzaak afgewezen (ECLI:NL:RBMNE:2014:196, E/VVVA). Door de deskundigen is een whiplash associated disorder graad I vastgesteld. Op basis daarvan acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat het slachtoffer objectieve cognitieve beperkingen heeft, die kunnen worden gediagnosticeerd als een WAD graad III. Dit leidt tot het oordeel dat in het kader van een kort geding niet aannemelijk is dat bij het slachtoffer sprake is van blijvende letselschade in die zin, dat naar tijdsduur en intensiteit sprake is van een zodanige schade dat toewijzing van een groter voorschot dan reeds is uitbetaald (€ 90.000,-) gerechtvaardigd is.

Een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam d.d. 2 januari 2014 gaat over de rechtmatigheid van een persoonlijk onderzoek bij een whipashzaak (ECLI:NL:RBAMS:2014:10, Vz/Reaal). Verzekeraar Reaal heeft een aan haar gelieerd bureau ingeschakeld om een ‘deskresearch’ te verrichten. Dit bureau ontdekt dat het slachtoffer actiever lijkt te zijn dan wat ze verklaard heeft. Deze bevindingen zijn voor Reaal aanleiding om een persoonlijk onderzoek/observatie-onderzoek te starten. Tijdens dit onderzoek komt naar voren dat het slachtoffer onder andere haar kind meerdere malen naar school bracht, verschillende dagen winkelde en sportte in een sportschool. Het slachtoffer start een deelgeschil en vordert dat het voormelde persoonlijke onderzoek voor de schaderegeling buiten beschouwing gelaten dient te worden. De verzekeraar heeft het onderzoek bevolen, omdat uit het feitenonderzoek naar voren kwam dat het slachtoffer actiever leek dan ze had opgegeven. De Rechtbank is echter van mening dat dit op basis van de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek het persoonlijke onderzoek niet rechtvaardigde. Er is niet gebleken dat het feitenonderzoek onvoldoende uitsluitsel gaf over de feiten en omstandigheden die nodig waren om tot een verantwoorde beslissing over de aanspraak van de schadevergoeding te komen. Ook is er uit het feitenonderzoek niet naar voren gekomen dat er een redelijk vermoeden van fraude kon worden aangenomen. En als Reaal op basis van het feitenonderzoek al twijfels had gekregen, dan had zij het slachtoffer om opheldering kunnen vragen. De Rechtbank verklaart op basis hiervan dan ook voor recht dat het persoonlijk onderzoek onrechtmatig is.

In een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland d.d. 18 december 2013 wordt een beslissing gegeven over de uitleg van een neurochirurgisch onderzoek(ECLI:NL:RBMNE:2013:7649, Vz/ASR). De deskundige bepaalt in zijn rapport dat er sprake is van hoofd- en nekpijnklachten zonder duidelijk anatomisch substraat. Omdat het op gezamenlijk verzoek van partijen tot stand is gekomen, wordt aan dit onderzoek een grote waarde gehecht door de Rechtbank. Op grond hiervan oordeelt de Rechtbank dat de subjectieve gezondheidsklachten in causaal verband staan met het ongeval. Het verzoek dat de schade wordt geregeld op basis van het arbeidsongeschiktheidspercentage dat is vastgesteld in de sociale verzekering wordt afgewezen. De Rechtbank geeft aan dat een verzekeringsgeneeskundig rapport noodzakelijk is om tot onderlinge overeenstemming te komen. Er wordt vanuit gegaan dat partijen hier gezamenlijk afspraken over zullen kunnen maken.

In een uitspraak d.d. 18 februari 2013 van de Rechtbank Oost-Nederland wordt een beslissing gegeven over predispositie bij een dubbel ongeval (ECLI:NL:RBONE:2013:33,25,Vz/Reaal). Het slachtoffer had eerder in 1972 ook al een ongeval met whiplash tot gevolg. De restklachten van dit ongeval hinderden hem echter niet in zijn functioneren. Er wordt een verzoek door het slachtoffer ingediend om de eerder opgestelde rapporten van een neuroloog en neuropsycholoog als uitgangspunt te nemen voor de verdere schadeafwikkeling. Dit verzoek wordt door de Rechtbank toegewezen.

In een uitspraak van 26 februari 2014 oordeelt de Rechtbank Gelderland over het verlies aan verdienvermogen van de exploitant van een biologische-dynamische boerderij (ECLI:NL:RBGEL:2014:1324,Vz/Aegon). Na het ongeval in 1999 krijgt het slachtoffer, die in 2002 een biologische-dynamische boerderij van zijn ouders heeft overgenomen, klachten. De biologische-dynamische levenshouding brengt met zich mee dat de boer zoveel mogelijk met de hand doet. Door het ongeval kan de boer dat echter niet meer opbrengen en hij schaft daarom enkele machines aan. Er zijn problemen met de bank en alleen door een schadevergoeding kan de bedrijfsbeëindiging voorkomen worden. In het kader daarvan wordt in een deelgeschil € 200.000,- verlies aan verdienvermogen gevorderd, omdat zijn echtgenote in het bedrijf tewerk is gesteld en een bedrag van € 280.000,- aan investeringen. Omdat er teveel onduidelijkheid is omtrent het verlies aan verdienvermogen en de investeringen worden de vorderingen in deelgeschil echter afgewezen.

In een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 december 2012 gaat het overpredispositie (ECLI:NL:GHAMS:2012:4041 A/Valuta Speelautomaten). Het slachtoffer van een aanrijding verkeerde voor het ongeval reeds in een kwetsbare positie vanwege twee eerdere roofovervallen, twee hartinfarcten en een echtscheiding. Andere factoren dan het ongeval zijn dus mede verantwoordelijk voor het beeld waarmee het slachtoffer thans geconfronteerd is. Dit leidt aldus het Gerechtshof tot de conclusie dat niet alle schade aan het ongeval kan worden toegerekend. Het Hof neemt aan dat het slachtoffer zonder ongeval ook op 1 maart 2007 gedecompenseerd zou zijn. Alleen de schade tussen de periode 28 februari 2006 en 1 maart 2007 wordt daarom aan het ongeval toegerekend.

Het Gerechtshof Den Bosch doet op 8 april 2014 een uitspraak over verlies aan verdienvermogen (ECLI:NL:GHSHE:2014:984). Het gaat om een ongeval van 2 september 1989 waarbij een 23-jarige man als passagier van een auto whiplash oploopt. Hij heeft een HBO-opleiding gedaan in ‘milling technology’. Zijn familie exploiteert al 3 generaties lang een watermolen. De molen draait verlies en hij dient het te doen met een bestaansminimum. Het ongeval weggedacht zou het slachtoffer een andere carrière hebben gekozen. Onder verwijzing naar het CV van klasgenoten, die aanvangsalarissen van 60.000 dollar hebben, dient hij een eisvermeerdering in. De verzekeraar verzet zich hiertegen, maar het Gerechtshof staat de eiswijziging toe. De gewijzigde eis zelf wijst het Hof echter niet toe. Het wordt niet aannemelijk geacht dat een zo’n fraai carrièreverloop van de klasgenoten ook voor het slachtoffer zou hebben gegolden. Bovendien wordt het algehele functioneren nadelig beïnvloed door preëxistente niet ongevalsgerelateerde psychologische factoren.

Op 18 maart 2014 oordeelt de Rechtbank Den Haag in een deelgeschil over whiplash (ECLI:NL:RBDHA:2014:4378). Het gaat om een ongeval in 2005, waarbij het slachtoffer vlak na het ongeval zijn werkzaamheden weer heeft kunnen hervatten. Het UWV stelt in 2007 een FML op, waarbij de man licht beperkt is voor zijn werk en 30 uur per week, maximaal 6 uur per dag kan werken. De neuroloog kan geen beperkingen objectiveren en de cognitieve beperkingen lijken hem onwaarschijnlijk, de verzekeringsarts ziet ook geen bewegingsbeperkingen, maar concludeert wel tot beperkingen bij zware belasting van nek- en schoudergordel. De arbeidsdeskundige concludeert dat het slachtoffer voor 75 % zijn oude werk kan verrichten en voor 40 % uitval heeft voor het onderhoud van zijn woning. In deelgeschil vordert de man 6 uur huishoudelijke hulp per week, omdat hij naast zijn werk niet ook nog het huishouden kan doen. De rechter wijst 3 uur per week toe voor licht huishoudelijk werk.

Een volgende uitspraak is van de Rechtbank Noord-Nederland d.d. 14 mei 2014 (ECLI:NL:2014:2579, E/Unive). Een slachtoffer krijgt na enige tijd zeer hevige aanvallen, waarvoor geen verklaring is. De neuropsycholoog meent dat er sprake is van aggravatie, maar een psychiater is dat niet met hem eens. De klachten kunnen door hem echter ook niet worden verklaard, maar hij meent ook niet dat de man zijn klachten inbeeldt of voorwendt. De Rechtbank oordeelt op basis hiervan dat het bewijs voor causaal verband is gegeven. Het enkele feit dat de subjectieve klachten het gevolg zijn van somatiserendoor het slachtoffer, betekent niet dat het causaal verband tussen de klachten en het ongeval ontbreekt.

Een uitspraak van 23 april 2014 van de Rechtbank Midden-Nederland gaat over de uitleg van een rapport van een verzekeringsarts (ECLI:NL:RBMNE:2014:1825). In een whiplashzaak wordt op gezamenlijk verzoek verzekeringsarts Kruithof aangesteld. Rialto weigert op basis van dit rapport een arbeidsdeskundige in te schakelen en schakelt eenzijdig verzekeringsarts Knepper in. De ene verzekeringsarts heeft voor zijn rapport de FIS-methode gebruikt en de andere de FML-methode. De aan de hand van beiden rapporten ingeschakelde arbeidsdeskundige komt tot de conclusie dat de verschillen tussen de rapporten gering zijn. In de deelgeschilprocedure wordt daarom bepaald dat Rialto verplicht is op basis van het eerste rapport van verzekeringsarts Kruithof de zaak verder af te wikkelen. Er zijn immers geen zwaarwegende bezwaren tegen dit rapport ingediend.

In een deelgeschil oordeelde de Rechtbank Gelderland op 11 maart 2014 over de uitleg van een deskundigenrapport van een verzekeringsarts met betrekking tot het vaststellen van beperkingen (ECLI:NL:RBGEL:2014:1896). In deze whiplashzaak is er een deskundigenrapport aanwezig van verzekeringsarts Kruithof, waarin slechts geringe beperkingen worden aangenomen. Het slachtoffer stelt zich op het standpunt dat dit rapport niet in overeenstemming zou zijn met de in de rechtspraak – volgens hem – gewijzigde jurisprudentie rondom het plausabiliteitscriterium. De Rechtbank oordeelt echter dat dit criterium slechts geldt voor het vaststellen van de klachten en niet voor het aannemen van de beperkingen. Het verzoek tot deelgeschil wordt dan ook afgewezen.

Een volgende uitspraak is van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 18 juni 2013 over het vaststellen van beperkingen bij een whiplashslachtoffer (ECLI:NL:GHAMS:2013:5237). De ingeschakelde neuroloog stelt zich op het standpunt dat er geen beperkingen aanwezig zijn als gevolg van het ongeval, ook niet voor loonvormende arbeid. Het Gerechtshof gaat hier echter wel vanuit, aangezien de huidige beperkingen voor het ongeval niet aanwezig waren en een alternatieve oorzaak ontbreekt. Dat de neuroloog geen beperkingen kan duiden als gevolg van het ongeval houdt volgens het Hof verband met de sinds 2007 van toepassing zijnde neurologische richtlijnen. Hierbij speelt een rol dat de verzekeringsarts en de arts van het UWV beiden wel beperkingen voor het verrichten van loonvormende arbeid hebben vastgesteld.

In een deelgeschilprocedure oordeelde de Rechtbank Midden-Nederland op 9 juli 2014 over de instemming van een assuradeur met een neurologische expertise. Op gezamenlijk verzoek van partijen was er een onafhankelijke deskundige ingeschakeld. Op het conceptrapport werd er door ASR geen commentaar gegeven en nadien werd door de medisch adviseur zelfs expliciet bevestigd dat er ingestemd kon worden met de inhoud van het rapport. Ruim een jaar later komt ASR op dit standpunt terug. De Rechtbank bepaalt echter dat hier thans geen ruimte meer voor is en het neurologisch rapport voor de verdere schadeafwikkeling als uitgangspunt dient te worden genomen.

De Rechtbank Rotterdam heeft op 16 juli 2014 in een deelgeschilprocedure de vordering van een whiplashslachtoffer afgewezen (ECLI:NL:RBROT:2014:5443). Het verzoek van het slachtoffer strekte ertoe een beslissing te krijgen over de onrechtmatigheid van een uitgevoerd persoonlijk onderzoek, het causaal verband tussen de lichamelijke en psychische klachten en het ongeval, de omvang van de materiele en immateriële schade en de omvang van de buitengerechtelijke kosten. Daarnaast werd er een voorschot op de schadevergoeding gevorderd van € 344.000,-. Op basis hiervan komt de Rechtbank tot de conclusie dat in wezen het gehele geschil aan haar is voorgelegd en dat dit reden is om het deelgeschil af te wijzen. De kosten worden niet begroot, omdat deze beslissing naar de mening van de Rechtbank voor de hand lag.

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 12 augustus 2014 een arrest gewezen in een whiplashzaak met betrekking tot het overleggen van de patiëntenkaart(ECLI:NL:GHSHE:2014:2782). Mede gelet op de omvang van de gevorderde schadevergoeding van het als zelfstandige werkzame slachtoffer, acht het Gerechtshof het redelijk dat de verzekeraar heeft gevraagd om inzage in de medische gegevens van het slachtoffer gedurende enige tijd voorafgaand aan het ongeval. Het Hof gelast het slachtoffer om de patiëntenkaart van 2 jaar voorafgaand aan het ongeval te overleggen. Verder wordt er wel uitgegaan van de door de onafhankelijke neuroloog in zijn rapport vastgestelde beperkingen. Het Gerechtshof honoreert het verweer van de verzekeraar dat er eerst een verzekeringsarts dient te worden aangesteld niet.


 

Vraag het ons

Heeft u vragen over whiplash of over het lidmaatschap, lees op onze contactpagina hoe u ons kunt bereiken. 

Contact opnemen

 
 

Word lid

Leden van de Whiplash Stichting ontvangen waardevolle informatie, ondersteuning en kunnen gebruik maken van de ledenvoordelen. 

Lees meer over het lidmaatschap

 

Word vrijwilliger

Als vrijwilliger hoeft u zelf niet per se een whiplash te hebben. Iedereen die kennis en ervaring wil inbrengen is welkom. 

Lees hoe u kunt bijdragen

Steun ons

Draagt u de Whiplash Stichting een warm hart toe? Steun ons dan via een donatie, de Vriendenloterij of met een gebruikte cartridge.

Lees meer over donaties