JURISPRUDENTIE OP WHIPLASHGEBIED OVER HET EERSTE KWARTAAL VAN 2013

groei

JURISPRUDENTIE OP WHIPLASHGEBIED OVER HET EERSTE KWARTAAL VAN 2013

Geplaatst op 24-04-2013  -  Categorie: Blog: advocatenblog

Het eerste arrest van 18 december 2012 is van het Gerechtshof Amsterdam (LJN onbekend, zie www.letselschademagazine.nl). De zaak gaat om de waardering vanpsychische klachten als gevolg van een relatief lichte aanrijding. Het slachtoffer had voorafgaand aan het ongeval een echtscheiding, twee roofovervallen en twee hartinfarcten meegemaakt. De Rechtbank beantwoordt de vraag of hij zonder ongevalook psychisch zou zijn gedecompenseerd door middel van het noemen van een kans (2/3 deel). De verzekeraar behoefde daarom slechts 1/3 deel van de schade te vergoeden. Dit betekende een bijbetaling van bijna € 7.000,- bovenop de reeds bevoorschotte € 65.000,-. Het Gerechtshof oordeelt echter anders en bepaalt in het arrest dat de schade slechts tot 1 maart 2007 vergoed hoeft te worden (datum ongeval 28 februari 2006), omdat het gezien de psychische situatie voorafgaand aan het ongeval te verwachten was dat het slachtoffer zonder ongeval eveneens gedecompenseerd zou zijn. Uiteindelijk beslist het Gerechtshof dat het slachtoffer een bedrag van bijna € 30.000,- van de betaalde voorschotten aan de verzekeraar terug dient te betalen.

Een tweede uitspraak van 6 februari 2013 is door de Rechtbank Rotterdam in een deelgeschilprocedure gedaan (LJN BZ0819). Het slachtoffer had op basis van demedische informatie van de behandelde sector aan de Rechtbank gevraagd hetcausaal verband tussen de klachten en het ongeval vast te stellen. In een algemene inleiding beschrijft de Rechtbank de inmiddels heersende leer in de jurisprudentie bestaande uit het feit dat het op de weg van het slachtoffer ligt om te stellen en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen dat er sprake is van causaliteit tussen het ongeval en de gestelde klachten. Als deze causaliteit vast komt te staan, dan moet vervolgens beoordeeld worden of en in hoeverre de klachten leiden tot beperkingen. Aan dit bewijs kunnen geen al te hoge eisen gesteld worden, in die zin dat het ontbreken van een specifieke medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijke verband geleverd is. Dit komt tot op zekere hoogte voor risico van de aansprakelijke partij. Enige objectivering van de subjectieve klachten is overigens wel vereist. Daarvoor is echter voldoende dat bij zorgvuldige beoordeling van alle informatie kan worden vastgesteld dat aannemelijk is dat de klachten reëel, niet ingebeeld en niet overdreven zijn. Dit in de jurisprudentie ontwikkeld criterium komt er op neer, dat de rechter er op grond van de beschikbare medische informatie van overtuigd moet zijn dat het gaat om klachten die de betrokkene daadwerkelijk heeft zonder dat hij tracht de situatie ernstiger te doen overkomen dan deze is. Voor het aannemen van het causale verband tussen deze klachten en het ongeval gaat het erom dat de klachten als zodanig redelijkerwijs bestaan en mede gelet op de toedracht van het ongeval daaraan redelijkerwijs kunnen worden toegeschreven. Indien komt vast te staan dat het slachtoffer voor het ongeval deze klachten niet had, de klachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt, zal het bewijs van het oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn.
Het slachtoffer heeft in de onderhavige zaak ter onderbouwing van zijn verzoek onder andere brieven van de huisarts, de medisch adviseur en informatie van het UWV overgelegd. De Rechtbank is van mening dat op basis van deze informatie niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten. Daarbij heeft de Rechtbank in eerste plaats in overweging genomen dat uit de informatie van de huisarts en de fysiotherapeut afgeleid kan worden dat zij hun oordeel grotendeels gebaseerd hebben op de afgenomen anamnese, dus de zelf door het slachtoffer verstrekte gegevens, waarbij de grondhouding van de behandelend arts zal zijn dat er in beginsel geen reden bestaat om kritisch te onderzoeken of de verstrekte gegevens wel juist en volledig zijn. Dat is de reden om voorzichtig te zijn met het verbinden van juridische gevolgen aan dat oordeel. Verder heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat uit arbeidsongeschiktheid in het kader van de sociale verzekeringswetten niet zonder meer kan worden afgeleid dat er sprake is van schade in de zin van verlies aan verdienvermogen. De regels die voor de WAO en WIA gelden komen immers niet overeen met de normen waaraan een vordering in een letselschadeprocedure dient te worden getoetst. Als laatste wijst de Rechtbank erop dat er in het dossier geen enkele informatie aanwezig is van neurologische aard. Ook dit is vereist om het causaal verband te kunnen aannemen.

Vervolgens heeft het Gerechtshof Leeuwarden op 5 februari 2013 een arrest gewezen (LJN BZ0801) dat over whiplash gaat. De Rechtbank heeft een neuroloog als deskundige aangesteld en beslist op basis van de uitkomst van dit rapport dat er eenverzekeringsarts moet worden ingeschakeld om de beperkingen in kaart te brengen. De verzekeraar verzoekt vervolgens om tegen deze beslissing tussentijds hoger beroep te mogen aantekenen, wat door de Rechtbank wordt gehonoreerd. In dit hoger beroep gaat het Gerechtshof ook in op de juridische context van een whiplashzaak. Het is als eerste aan een slachtoffer om te bewijzen dat hij aan gezondheidsklachten lijdt. Het enkele feit dat deze subjectief van aard zijn, betekent niet dat het bewijs hiervan niet geleverd kan worden. Als wordt vastgesteld dat het klachtenpatroon plausibel is, hetgeen doorgaans het geval zal zijn bij een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten, kan van het bestaan van de subjectieve klachten uitgegaan worden. Als de klachten aangetoond zijn, mag vervolgens aan het bewijs van oorzakelijk verband tussen het ongeval en deze klachten geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijke verband geleverd is. Indien komt vast te staan dat het slachtoffer de klachten voor het ongeval niet had, de klachten door het ongeval veroorzaakt kunnen zijn en een alternatieve oorzaak voor de klachten ontbreekt, zal het bewijs van het oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn. Indien het causaal verband tussen het ongeval en de klachten is vastgesteld, zal vervolgens beoordeeld dienen te worden of deze gezondheidsklachten ook tot beperkingen leiden. 
Het gaat bij de beoordeling van deze beperkingen niet zozeer om het vaststellen van de meetbare functionele beperkingen, maar om het vaststellen van de mate van activiteiten en participatie van het slachtoffer. Bij die vaststelling zijn niet alleen de lichaamsfuncties en anatomische eigenschappen relevant, maar dienen ook de persoonlijke en omgevingsfactoren van de benadeelde te worden gewogen. Het enkele feit dat er sprake is van subjectieve klachten zonder neurologisch substraat betekent niet dat er dan ook geen beperkingen kunnen worden aangenomen. Vanwege de nieuwe neurologische richtlijnen in 2007 kan een neuroloog zonder de aanwezigheid van een neurologisch substraat dergelijke beperkingen niet duiden. Het oordeel van een deskundige is geïndiceerd, het Gerechtshof is van mening dat er een verzekeringsarts als deskundige moet worden aangesteld. Het door een verzekeringsarts gehanteerde beperkingenbegrip sluit aan bij wat door het Gerechtshof overwogen is over de beperkingen. Bovendien geeft het Verzekeringsgeneeskundig Protocol Whiplash Associated Disorder I/II van 17 juli 2008 aan dat het ontbreken van een neurologisch substraat er niet aan in de weg staat dat de verzekeringsgeneeskundige toch beperkingen vaststelt na een multifactoriële analyse van de actuele problematiek op grond waarvan de verzekeringsgeneeskundige beoordeelt in hoeverre er sprake is van beperkingen die passen in een consistent en plausibel geheel van stoornissen, beperkingen en participatieproblemen.

Het laatste arrest is van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch d.d. 12 februari 2013 (LJN BZ2030) en gaat over niet geobjectiveerde cognitieve stoornissen. Er is een deskundigenrapport van een neuropsycholoog, waarin geconcludeerd wordt dat er sprake is van duidelijk te objectiveren afwijkende prestaties die niet kunnen worden toegeschreven aan functionele beperkingen. Dit is in overeenstemming met de aard van het ongeval en het ontbreken van evidentie voor cerebraal letsel. Dit wil niet zeggen dat de klachten van betrokkene niet bestaan of verzonnen zijn. Het betekent echter wel dat op mijn vakgebied geen cognitieve stoornissen objectiveerbaar zijn, aldus de neuropsycholoog. Het Gerechtshof bepaalt vervolgens dat dit niet betekent dat de klachten dan ook niet bestaan. Dat de neuropsycholoog in haar rapport wijst op het ontbreken van evidentie voor het cerebraal letsel wil nog niet zeggen dat de klachten dan niet bestaan of verzonnen zijn. Gelet op het feit dat het slachtoffer voor het ongeval een Mavo en Meao-opleiding heeft afgerond en een fulltime baan had met daarnaast in de avonduren als nagelstyliste werkzaam was, kan redelijkerwijs ervan uitgegaan worden dat zij de cognitieve klachten voor het ongeval niet had. Deze klachten moeten dan ook aan het ongeval toegerekend worden, ookal worden ze misschien veroorzaakt door het medicijngebruik. Verder is in deze uitspraak nog van belang dat het Gerechtshof geen aanleiding ziet om een arbeidsdeskundige en verzekeringsarts in te schakelen, omdat thans vast is komen te staan dat de substraatloze klachten plausibel zijn. Het is vanwege de aard van de klachten eveneens plausibel dat deze tot beperkingen leiden. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat het slachtoffer door het UWV op basis van deze klachten voor 80-100 % arbeidsongeschikt is verklaard en tevens tot de conclusie is gekomen dat er voor haar geen bemiddelbare arbeid meer aanwezig is. De beoordeling door het UWV is in deze zaak dan ook wel voldoende om de beperkingen aan te nemen.

Daarbij zien we dus twee tegenstrijdige uitspraken over het gebruiken van medische informatie van het UWV in een letselschadezaak. Het is daarbij de vraag of dergelijke informatie wel of niet doorslaggevend kan zijn voor de berekening van de omvang van de schade. Doorgaans zal de informatie slechts gedeeltelijk vanaf de zijlijn een rol kunnen spelen. Er zal dan meestal nog een onafhankelijk onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige noodzakelijk zijn. Op basis van het voormelde arrest van het Gerechtshof is aan te bevelen dat partijen en de eventueel beoordelende rechter in ieder geval deugdelijk afwegen of dat ook wel daadwerkelijk het geval is. Het zal immers tot een vertraging en kostenverhoging in de afhandeling van het geschil leiden. Zeker in gevallen waarin geen andere, los van het ongeval staande feiten een rol spelen, is een dergelijke inschakeling veelal ook slechts een formaliteit.


 

Vraag het ons

Heeft u vragen over whiplash of over het lidmaatschap, lees op onze contactpagina hoe u ons kunt bereiken. 

Contact opnemen

 
 

Word lid

Leden van de Whiplash Stichting ontvangen waardevolle informatie, ondersteuning en kunnen gebruik maken van de ledenvoordelen. 

Lees meer over het lidmaatschap

 

Word vrijwilliger

Als vrijwilliger hoeft u zelf niet per se een whiplash te hebben. Iedereen die kennis en ervaring wil inbrengen is welkom. 

Lees hoe u kunt bijdragen

Steun ons

Draagt u de Whiplash Stichting een warm hart toe? Steun ons dan via een donatie, de Vriendenloterij of met een gebruikte cartridge.

Lees meer over donaties